Het Mont Blanc massief

gebergte

Het gebied tussen de Col de La Seigne en de Grand Col Ferret in de West Alpen. Dit gebied is in vergelijking met andere gebieden niet zo groot, maar voor het alpinisme wel van groot belang. Het gebied ligt in Frankrijk, Italië en Zwitserland. De grenzen komen op de Mont Dolent (3820 m) bij elkaar. Er zijn 25 toppen boven de 4000 meter, waarvan de hoogste, de Mont Blanc (4807 meter), tevens de hoogste van West Europa is.

Het gebied is sterk vergletscherd en de rots (graniet) staat bekend om z’n goede kwaliteit.

Men kan in dit gebied heel goed ijs- en rotsklimmen, vandaar de grote populariteit van dit gebied. Chamonix is de belangrijkste plaats in dit gebied. Aan de Italiaanse kant is dat Courmayeur. Deze twee plaatsen worden door de Mont Blanc tunnel met elkaar verbonden. De aanwezigheid van de hoogste toppen van de Alpen, en het intensieve alpinisme in dit gebied, heeft er voor gezorgd dat vrijwel iedere berg (route) z’n eigen geschiedenis heeft gekregen. Een kort overzicht hiervan:

De eerste pogingen resulterend uiteindelijk ook in de eerste beklimming waren op de Mont Blanc zelf (Paccard en Balmat 8 aug. 1786). De beklimmingen van andere toppen volgde het zelfde patroon als de ontwikkeling van het alpinisme in het algemeen. Eerst waren de hoogste toppen het doel. Belangrijk hierbij was de eerste beklimming van de Aiguille Verte (Whymper, Almer en Biner in 1865). Tegen het eind van de negentiende eeuw trad een verschuiving op in belangrijkheid naar de technisch moeilijkere routes.

Aiguille du Grépon (Mummery, Burgener en Venetz in 1881), Aiguille du Grand Dru (Dent, Walker, Burgener en Maurer in 1878). De eerste beklimming van de Brenva graat (Mathews, Moore, Walker en Anderegg in 1865) was buitengewoon in die tijd. De andere grote graten werden ook rond die tijd (eind negentiende begin twintigste eeuw) beklommen, bijvoorbeeld de Hirondelles graat op de Grandes Jorasses (Gaia, Matteoda, Ravelli, Rivetti, Rey en Chenoz in 1927). In de periode vlak voor de tweede wereldoorlog werden er pogingen gedaan om diverse noordwanden te beklimmen. Noordwand van de Dru (Allain, Leininger in 1935). en de Walker pijler van de Grandes Jorasses (Cassin, Esposito en Tizzoni in 1938).

Tussen de oorlogen in werd ook de Brenva flank ontsloten, beginnend met de Sentinelle Rouge (Brown en Smythe in 1927). Na de oorlog volgden een aantal harde routes: Bonatti pijler op de Dru (Bonatti 1955). En de centrale Freney pijler (Bonington, Clough, Whillans en Duglosz in 1961).